Jurassic Park

Een nacht in Jurassic Park Je hebt van die nachten, die je altijd bijblijven. Nachten, die erboven uit steken, nachten, die anders verlopen dan reguliere nachten, voorzover men over reguliere nachten kan spreken. Één zo’n nacht was in Jurassic Park. De stek in Jurassic Park kenmerkte zich door enorm hoge, dode bomen, hoog boven de mens uittoornend. Deze bomen zaten bomvol met nesten van reigers. Reigers, die meer dan eens ijzingwekkende, rillingenverwekkende kreten over het park uitriepen. Grote groepen aalscholvers maken het feest compleet. We gaan terug in de tijd.

c3foto1
Jurassic Park

Het was tijdens een dinsdagmiddag, op een bewolkte, doordeweekse dag. Tijdens mijn zoveelste, en ontelbare, rondje langs mijn thuisplas stuit ik zomaar ineens op een stukje bos, wat er schijnbaar onbevist uitziet. Het doemt op, uit het niets, als ware het geschapen vlak voordat ik het pad betrad. Boven mij steken hoge kale bomen uit, waarvan sommige stronken dreigend neerbuigen richting waterkant, wachtend op een laatste zuchtje wind, wat hen zal doen verzuipen in het zoete thuiswater. Ik snuif de geur van netels en wuivend groen gras op, en probeer de mogelijkheden te zoeken van deze stek. Het zal niet de meest makkelijke stek zijn, maar ik zie mogelijkheden, ik ruik karper. Nog geen vierentwintig uren later sta ik met waadpak en schepnetstok terug op dezelfde plek in Jurassic Park, klaar voor grondig bodemonderzoek. De oude shimano molen en daiwa hengel rusten uit tegen een boom, wachtend op het peilwerk wat komen gaat. Lichtjes krakend leggen zij zich neer bij het voor hen bekende ritueel. Ik duw wat netels opzij, en maak de eerste stap richting de nieuwe visgronden. Mijn hersenen maken overuren, en ik droom stilletjes weg bij de gedachte van een dikke veertigponder, gevangen op het stuk waar de locals zich niet wagen. Zoet thuiswater omsluit kolkend mijn waadpak, en ik probeer mijn evenwicht te vinden in de zachte blurrie. Met mijn schepnetsteel voor mij uit stekend baan ik mij een weg tussen de dode boomstronken. Zelfs onder water lijkt het een heus Jurassic Park. Ik spendeer een hele middag aan het zoeken van bevisbare stukjes blurrie, waar ik zonder angst voor obstakels mijn aas kan plaatsen. Ik waan mij in een droomwereld, waar niemand mij wat kan maken. Ik meen zelfs hier en daar een kolk waar te nemen. Of het verbeelding of werkelijkheid is, durf ik op dat moment niet te zeggen. De wens is de vader van de gedachte, de rest laat ik aan jullie over. Wanneer mijn moeder mij opbelt met de vraag of ik niet eens naar huis wil komen, omdat het avondeten al koud geworden is, wordt ik wakker uit mijn droomwereld, en laat ik Jurassic Park voor even voor wat het is. We zijn twee dagen verder en ik heb mijn plannen rustig kunnen laten bezinken. De fanatieke karpervisser heeft plaats gemaakt voor de realistisch denkende karpervisser. Ik besluit dat ik het erop ga wagen. Het plan van aanpak heb ik al meerdere keren tot in detail uitgedacht in de slapeloze nachten, en slechts de uitvoer van het plan rest mij. Ik heb zoveel vertrouwen dat ik zelfs al ga kijken waar ik foto’s ga maken, als ik die vissen gevangen heb. Ik heb besloten om op dit niet-beviste stuk van het water een degelijke voercampagne op te starten, om de karpers kennis te laten maken met mijn bollen. Iedere dag, twee weken lang, gaan er twee en een halve kilo boillies te water, verspreid over het hele Jurassic Park, een stuk van pakweg tweehonderd bij honderd meter. Zelfs op de meest ondiepe stukken, waar ik tot slechts kniediepte in het water sta, voer ik de nodige boillies. De laatste voerbeurt, de nacht voordat ik ga vissen, zie ik warempel écht twee grote karpers voor mijn neus uit het water springen. Ze groeten me, en wensen me tegelijkertijd vaarwel met een elegante slag van de staart. “Zou ik jullie morgen mogen omarmen, dan ben ik een gelukkig mens”, denk ik nog.

De dag des oordeels is aangebroken, en met weinig slaapuren op zak, laadt ik de brommer vol met de visspullen. Mijn handen trillen lichtjes. Er gaat een flinke lading bollen mee, want het vertrouwen is torenhoog. Een pak boerenschnitzels in de rugzak, en wat broodjes, om het af te maken, moeten zorgen voor de innerlijke mens. Aangekomen aan het water, moet ik mijn brommer op een flink stuk van de stek achterlaten, en vastbinden aan een boom. Wat mij rest is nog een wandeltocht van een kleine honderd meter naar de visstek, door netels zo hoog als mijzelf, langs verraderlijk uitstekende boomstronken. Bij aankomst in Jurassic Park wordt ik verwelkomd door wederom een grote springende karper. Dit kan niet fout gaan, vannacht gaan we slachten! Ik plaats twee stormpalen, een eind uit de kant, in de zachte blurrie, en draai voorzichtig de buzzerbars erop. Vannacht moet ik met het waadpak aan slapen, omdat ik anders niet bij de hengels kan komen. Ik maak het mezelf waarschijnlijk onnodig lastig, maar ik geniet. Wanneer alles opgezet is, en mijn maag gevuld is, de laatste boerenschnitzel verdwenen is in mijn mond, kan ik eindelijk tot rust komen, en genieten van de omgeving waarin ik mij bevind. Met het waadpak aan, ga ik op de stretcher liggen, en ik gooi de slaapzak over mij heen. Wanneer ik mij op mijn zij draai komt er een vieze zweetlucht uit het waadpak. Ach, wat maakt het ook uit, je bent karpervisser of je bent het niet. En met die gedachte laat ik nog een flinke scheet, om het geurenconcert compleet te maken. Ik kijk de zon langzaam achter de bomen weg, en de maan begint aan zijn eindeloze tocht. De volle maan zorgt voor een luguber tafereel. Boven mij zijn er nog steeds die kale, door de aalscholvers vernielde, bomen. En in die bomen huizen de reigers, schreeuwend, klapperend met hun vleugels, lawaai makend, waarschijnlijk om niks. Ik krijg er rillingen van op mijn rug, dwars door het waadpak heen. Vismaat Guy kondigt krakend en wel zijn komst aan, en wil even polshoogte nemen. Hij is razend benieuwd naar mijn verrichtingen in Jurassic Park, aangezien hij zelf ook een local is, en dus wel op de hoogte gehouden wil worden. Als hij ziet hoe ik erbij lig, met waadpak en al, kan hij een glimlach niet onderdrukken. En ik kan hem ook geen ongelijk geven. We ouwehoeren wat, roddelen over vangsten van de andere locals, en eindigen het gesprek, zoals altijd, met dromen over mooie dames. Vlak voordat hij vertrekt, krijg ik een twijfelend oplopende swinger voor de kiezen. “Brasem?”, vraag ik mezelf? “Nee, ik vis met 25’ers, dat kan nooit, ik heb ze zelfs nog laten drogen”. De hengeltop buigt heel langzaam maar zeker door, met een tikkende slip als gevolg. Mijn vismaat kijkt zwijgend toe, en ziet hoe ik aansla, op een blok beton. Geen beweging meer, geen tikkende slip, geen niks van dat alles. Ik kijk vertwijfeld over mijn schouder naar de vismaat. Hij weet het ook niet. Zo verstrijken de minuten, en ik sta wat simpeltjes te kijken naar de kromme top, die geen krimp meer geeft. Tot het moment komt waarop ik besef dat het een verloren strijd is. Ik geef een ruk aan de hengel, en ik krijg als beloning alles terug, behalve een karper. Mijn vismaat weet genoeg, groet zwijgend, en begint zijn weg terug naar huis. Mij achterlatend in Jurassic Park, met de schreeuwende reigers en de kwakende aalscholvers boven mijn hoofd. Iets later die nacht krijg ik een identieke aanbeet. Ik kon de slaap niet bevatten, dus ik was heel snel bij de hengels. Het zoete thuiswater kolkt onrustig rond mijn waadpak, en ik heb een zwaar doorbuigende hengel in mijn handen, met een woest beukende vis aan het andere eind van de lijn. Dit kén en mág niet fout gaan! Het begin van de dril verloopt vlekkeloos, tot ik iets voel schuren, gevolgd door wederom een gevoel alsof ik een blok beton gehaakt heb. Ver weg zie ik de vis boven komen, terwijl mijn lijn ergens voor de kant al omlaag het water inloopt. Shit, weer vast! Ik moet bijna huilen, en ik weet niet wat ik moet beginnen. Ik haal het net niet met mijn waadpak tot aan de plek waar de lijn vastzit, en ik besluit om maar terug naar de kant te waden, daar mijn waadpak uit te doen, en terug te gaan naar de plek des onheils. Vlák voordat ik weer bij de plek aangekomen ben geeft de vis een flinke ruk, en breekt de lijn. Ik blijf achter met een wapperend stukje nylon, en een gebroken karperhart. Die nacht kan ik het niet meer opbrengen om een hengel uit te gooien in het Jurassic Park. De karpervisser in mij is gebroken.

Een week later spreek ik een andere local, die een stek opgebouwd had, een paar honderd meter verderop, buiten het gevreesde Jurassic Park. We praten wat over de vangsten, en plots haalt hij een rig uit zijn rigwallet. Ik voel de grond onder mijn voeten wegzakken als ik de rig zie, en herken de rig als de mijne. Eigenlijk weet ik het antwoord al, maar ik vraag toch stilletjes uit de bek van welke vis, hij die rig geplukt heeft. “Nou het was een hele beste, een 39ponder”, antwoord hij. Mijn karperhart slaat een keer over, ik steek zwijgend een peuk op, en ga even rustig zitten. Ik staar over het water, en heb die avond geen woorden meer. Zelfs de muggen mogen hun gang gaan. Jurassic Park laat een litteken achter bij mij, welke nooit meer genezen zal, en altijd als een smet op mijn karpervissersloopbaan zal achterblijven. Zelfs bij het schrijven van deze tekst krijg ik een onbehaaglijk gevoel, wanneer ik denk aan de massieve schubkarper die ik mijn armen had kunnen sluiten, wanneer de lijn niet achter die tak was blijven haken. Ik heb na die nacht nooit meer mijn hengels uitgegooid in het Jurassic Park, bevangen door angst, de angst voor Jurassic Park.

Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *